Hocus pocus wetenschap

25/04/2016

Het valt me al een tijd op dat in de wereld van trainers, managementsprekers maar ook media het wetenschappelijke argument een magische werking heeft. Wie beweert dat iets wetenschappelijk bewezen is, kan rekenen op massale bijval. Wat wetenschappelijk bewezen is, behoeft geen nadere uitleg. We kunnen gerust zijn. Kon je vroeger stoppen met denken als de dominee iets zei, nu hoeven we slechts te luisteren naar een wetenschapper.

Zelden leidt het gebruik van wetenschappelijke studies in discussies tot het stellen van vragen. Hoeveel onderzoeken zijn er geweest? Zijn de studies gerepliceerd? Hoe zit het met de externe validiteit en hoe zijn de variabelen meetbaar gemaakt? Zonder zulk soort vragen en zonder begrip en analyse van methodologie is het wetenschappelijke argument niet veel waard.

In de praktijk van professionals waar ik dagelijks mee te maken heb, beëindigt de suggestie van wetenschap veel discussies. Soms speel ik daar mee. Een collega stelde ooit een nieuwe coachingsmethodiek voor. Binnen de afdeling waar ik werkte moest besloten worden of die methode onderdeel zou worden van ons aanbod. Iedereen was enthousiast. Ik zei voor de grap: ‘Wel jammer dat er geen enkele empirische evidentie is voor deze methode.’ Even later werd de methode afgeserveerd zonder een kritische vraag over wat ik precies bedoelde met empirische evidentie. Ik mag dit soort bommetjes graag gooien. ‘Hoe zit het met de externe validiteit?’ ‘Hoe zijn de variabelen meetbaar gemaakt?’ Vaak wordt het muisstil. Managementmethodieken en -theorieën verliezen hun magische werking bij twee of meer doorvragen. Het is alleen jammer dat die doorvragen nauwelijks worden gesteld.

Als de wetenschap nou altijd iets substantieels op zou leveren, dan zou het niet zo erg zijn dat mensen wetenschap gebruiken als magische formule. Maar meer dan ooit is een kritische houding naar wetenschappers en hun onderzoek noodzakelijk. Als je bijvoorbeeld kijkt naar het wetenschapsgebied psychologie, dan zie je dat psychologen nauwelijks geïnteresseerd zijn in de repliceerbaarheid van hun studies. Men preekt vooral voor eigen parochie en is hoofdzakelijk bezig met het binnenhalen van onderzoeksgeld.

Ook het feit dat onderzoeken maar zeer moeizaam kunnen worden gegeneraliseerd is niet echt onderwerp van discussie. Meestal wordt een notitie hierover verstopt in de laatste alinea van de discussie van een artikel, misschien omdat de aandacht van de lezer dan al wat is verslapt. De zelfkritische houding van de onderzoeken wordt dan gesuggereerd in het zinnetje ‘Meer onderzoek is nodig’, maar dat komt er maar bar weinig van.

Veel trainingen en seminars maar ook de media (televisie, tijdschriften en kranten) maken eindeloos gebruik van (psychologische) wetenschappelijke content. De academische discipline Psychologie vindt hiermee een nieuw bestaansrecht: entertainment en entertrainment. Ironisch is dat juist de academische input op deze manier vorm geeft aan wat de filosoof Harry Frankfurt benoemt als de bullshit-cultuur: de inhoud doet niet meer zoveel ter zake, als je maar een effect bereikt met je boodschap. Hocus pocus pilatus pas, wat wetenschappelijk is bewezen, is waar en af!

Terug naar blogs